Blog: Maatwerkvoorschriften onder de Omgevingswet

Door mr. Yuval Schönfeld. In dit blogartikel wordt ingegaan op maatwerkvoorschriften onder vigeur van de Omgevingswet. Onderzocht wordt hoe maatwerkvoorschriften in de Omgevingswet (en de bijbehorende AMvB’s als het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving alsmede in de bruidsschat) zijn geregeld en in hoeverre er sprake is van verschillen met maatwerkvoorschriften onder het oude recht (bijvoorbeeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, verder: Activiteitenbesluit).

Maatwerkvoorschriften algemeen

Artikel 4.5 Omgevingswet maakt het mogelijk om in onder andere het omgevingsplan en in de rijksregels (zoals het Besluit activiteiten leefomgeving, Bal of het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bbl) te voorzien in de benodigde mogelijkheden voor maatwerk, door het bevoegd gezag binnen die algemene regels de mogelijkheid te bieden om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen een nadere detaillering, aanvulling of andere afwijking van de algemene regel inhouden, voor zover afwijking bij de betreffende algemene regel mogelijk is gemaakt (Kamerstukken II, 2017–2018, 34 986, nr. 3, p. 160). Lokale omstandigheden kunnen aanleiding geven om in het individuele geval regels te stellen ter aanvulling op of ter afwijking van algemene regels die voor een activiteit gelden. Maatwerkvoorschriften worden bij beschikking gesteld, zodat daartegen bezwaar en (hoger) beroep open staat. Maatwerkvoorschriften worden voorbereid met de reguliere procedure van afdeling 4.1.2 Awb (tenzij het bevoegd gezag in een concreet geval besluit om de uitgebreide procedure van afdeling 3.4 Awb toe te passen). Als het bevoegd gezag ambtshalve een maatwerkvoorschrift wil stellen, zal het op grond van artikel 4:8 Awb belanghebbenden die daartegen naar verwachting bezwaren hebben in de gelegenheid moeten stellen om een zienswijze in te dienen (Staatsblad 2018, nr. 291, p. 179).

Er bestaan vier vormen van maatwerkvoorschriften die kunnen worden onderscheiden: maatwerkvoorschriften waarbij onderwerpen nader worden ingevuld of aangevuld, maatwerkvoorschriften waarbij strengere eisen worden opgelegd dan opgenomen in algemene regels, maatwerkvoorschriften waarbij minder strenge eisen worden opgelegd dan opgenomen in algemene regels, en maatwerkvoorschriften waarbij van een in algemene regels expliciet opgenomen verbod ontheffing wordt verleend, al dan niet onder beperkingen of voorwaarden.

Er kunnen alleen van algemene regels afwijkende maatwerkvoorschriften worden gesteld wanneer dat in het omgevingsplan, de verordeningen of de rijksregels (zoals het Bal of het Bbl) is bepaald, in welk geval aangegeven moet worden van welke regels kan worden afgeweken. Als in de mogelijkheid van afwijken is voorzien, dan kan daarbij worden bepaald dat afwijken alleen binnen een bepaalde bandbreedte is toegestaan. Daarnaast kan een termijn worden gekoppeld aan de mogelijkheid om af te wijken (Kamerstukken 2013–2014, 33 962, nr. 3, p. 470 + 471). Artikel 4.5, lid 2 Omgevingswet bepaalt dat de algemene regels bepalen in welke mate of hoe lang middels maatwerkvoorschriften kan worden afgeweken van de algemene regels. Maatwerk kan niet worden gesteld met een ander oogmerk dan in de wet is voorgeschreven. Hiermee is geborgd dat het bevoegd gezag niet willekeurig mag omspringen met de mogelijkheid van maatwerk en ook dat bij het toepassen van maatwerk in ieder geval de doelen en strekking van de wet en de besluiten moeten worden nageleefd. Dit is van belang omdat de overheid de rechtszekerheid en gelijkheid van burgers en bedrijven dient te waarborgen en te bevorderen (Staatsblad 2018, nr. 291, p. 178).

In artikel 4.5, lid 3 Omgevingswet wordt ingegaan op de relatie tussen maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften in het geval voor bepaalde activiteiten ook een omgevingsvergunning geldt. Maatwerkvoorschriften zijn in de eerste plaats van belang voor activiteiten die volledig onder algemene regels vallen, maar kunnen ook aan de orde zijn als voor de activiteit waarvoor de algemene regel geldt ook een omgevingsvergunning is vereist. In dat geval komt de vraag op hoe maatwerkvoorschriften zich verhouden tot de omgevingsvergunning en de vergunningvoorschriften (Kamerstukken II, 2017–2018, 34 986, nr. 3, p. 160). Artikel 4.5, lid 3 Omgevingswet bepaalt dat bij de algemene regels kan worden bepaald dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld als over een onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. Dit artikellid biedt de mogelijkheid om in de rijksregels te bepalen dat de maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden. Dit kan om redenen van efficiency wenselijk zijn, in het bijzonder als algemene regels worden gesteld voor activiteiten waarvoor ook een omgevingsvergunningplicht geldt. In dat geval kan worden verzekerd dat alle voorschriften voor die activiteit in één document te vinden zijn (Kamerstukken II, 2013–2014, 33 962, nr. 3 p. 471). Een invulling aan artikel 4.5, lid 3 Omgevingswet is bijvoorbeeld gegeven in artikel 2.13, lid 4 Bal, waarin is geregeld dat een maatwerkvoorschrift niet wordt gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 Bal kan worden verbonden.

 

Maatwerkvoorschriften en het Bal

In artikel 2.13 van het Bal wordt nader invulling gegeven aan de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen in verband met de algemene regels die in het Bal zijn opgenomen (voornamelijk over milieubelastende activiteiten).  Artikel 2.13, lid 1 Bal geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen over de specifieke zorgplicht (artikel 2.11 Bal), afdeling 2.7 van het Bal (over ongewone voorvallen) en over de regels in de hoofdstukken 3 tot en met 5 Bal (in welke hoofdstukken de algemene regels en modules voor verschillende soorten milieubelastende activiteiten zijn opgenomen).

Artikel 2.13, lid 1, onder a en b Bal sluit het stellen van maatwerkvoorschriften uit voor twee gevallen (Staatsblad 2018, nr. 293, p. 772). Ten eerste gaat het om de bepalingen van hoofdstuk 3 Bal, waarin milieubelastende activiteiten (en lozingsactiviteiten) worden aangewezen. Deze bepalingen geven aan op welke activiteiten de algemene rijksregels zijn gericht. Decentrale overheden kunnen die reikwijdte niet aanpassen. De keuze over de activiteiten waarvoor rijksregels worden gesteld wordt immers door het Rijk gemaakt (Staatsblad 2018, nr. 293, p. 771). Daarnaast kunnen ook geen maatwerkvoorschriften worden gesteld over meldingen. In het Bal is de keuze gemaakt of een activiteit, waarvoor het Rijk regels stelt, wel of niet gemeld moet worden. Deze keuze is gebaseerd op de mogelijke gevolgen van de activiteit voor de fysieke leefomgeving en voor belanghebbenden. Als op grond van die afweging een meldingsplicht is ingesteld, past het niet dat deze lokaal weer wordt ‘uitgezet’. Ook de gegevens en bescheiden die bij een melding worden verstrekt kunnen lokaal niet worden aangepast (Staatsblad 2018, nr. 293, p. 772). Afwijken van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 Bal is vanzelfsprekend niet mogelijk. Maatwerkvoorschriften moeten altijd binnen de reikwijdte en strekking van de specifieke zorgplicht blijven.

De mogelijkheid om met maatwerkvoorschriften af te wijken van de algemene regels is ruim opengesteld. Dit is dus mogelijk, tenzij anders is bepaald in een hoofdstuk of afdeling van het Bal.  Het Bal kent een beperkt aantal uitzonderingen op de mogelijkheid om met maatwerk af te wijken van de algemene regels. De uitzonderingen zijn in het Bal te herkennen aan de artikelkop “afbakening mogelijkheid maatwerk”. Een aantal voorbeelden: de artikelen  4.31, 4.35, 4.37, 4.46, 4.59, 4.73a, 4.96a Bal etc. Deze afbakeningen zijn opgenomen als het afwijken van bepalingen van die hoofdstukken strijdig zou zijn met internationaalrechtelijke bepalingen. Zo zijn er EU-richtlijnen die bepaalde dwingende eisen aan milieubelastende activiteiten stellen, zoals strikte emissiegrenswaarden (Staatsblad 2018, nr. 293, p. 771 + 773). Maatwerkvoorschriften kunnen de algemene regels van het Bal niet alleen aanvullen, maar er ook van afwijken, tenzij anders is bepaald. De bevoegdheid om af te wijken van de algemene regels is gegeven in artikel 2.13, lid 2 Bal, dat bepaalt dat met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van afdeling 2.7 Bal (over ongewone voorvallen) en de hoofdstukken 3 tot en met 5 Bal (de inhoudelijke regels over milieubelastende activiteiten), tenzij anders is bepaald. De beoordelingsregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder: Bkl), die gelden bij het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning, zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift (Staatsblad 2018, nr. 293, p. 772). Daarmee wordt voorzien in een nadere inhoudelijke sturing van de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Net als de algemene regels van het Bal geven de beoordelingsregels van het Bkl invulling aan het oogmerk en de strekking van artikel 4.22 en 2.23 Omgevingswet (artikel 2.13, lid 5 en 6 Bal).

 

Artikel 2.13, lid 3 Bal bepaalt dat met een maatwerkvoorschrift voor een periode van ten hoogste 9 maanden kan worden afgeweken van bepaalde onderdelen van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 Bal, voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren en grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor die activiteit bestaande beste beschikbare technieken (maatwerkvoorschriften voor technieken in opkomst).

Artikel 4.5, lid 3 Omgevingswet bepaalt dat voor zover op een activiteit niet alleen algemene rijksregels van toepassing zijn, maar daarvoor ook een omgevingsvergunning is vereist, bij die regels kan worden bepaald dat géén maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld als het stellen van een vergunningvoorschrift mogelijk is. Van de mogelijkheid die artikel 4.5, lid 3 Omgevingswet biedt is in het Bal gebruik gemaakt. Artikel 2.13, lid 4 Bal bepaalt dat voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld, als een vergunningvoorschrift kan worden gesteld. Hiervoor is gekozen omwille van het zo veel mogelijk samenbrengen van voorschriften in één document (Staatsblad 2018, nr. 293, p. 571).  Met andere woorden, een maatwerkvoorschrift kan niet worden gesteld als het mogelijk is om over het onderwerp een voorschrift aan de vergunning te verbinden. Die mogelijkheid is er steeds voor zover er voor een activiteit een vergunningplicht geldt. Voorschriften kunnen immers niet alleen bij het verlenen van de vergunning worden gesteld, maar ook door wijziging van de vergunning. Een aanvraag om een maatwerkvoorschrift over een (gedeelte van) een activiteit waarvoor al een vergunning is verleend, moet dus worden beschouwd als een aanvraag om de voorschriften van die vergunning te wijzigen. En het ambtshalve toepassen van de bevoegdheid van dit artikel leidt bij die activiteit tot het ambtshalve wijzigen van de verleende vergunning. Vanzelfsprekend moet bij de toepassing van het vierde lid wel de reikwijdte van de vergunningplicht in acht worden genomen. Als de vergunningplicht voor een milieubelastende activiteit alleen betrekking heeft op een installatie en niet op de ondersteunende milieubelastende activiteiten, dan kan maatwerk op die ondersteunende activiteiten niet via een vergunningvoorschrift worden geregeld. In die gevallen worden er dus afzonderlijke maatwerkvoorschriften gesteld (Staatsblad 2018, nr. 293, p. 772 en 773).

Het Activiteitenbesluit (dat per 1 januari 2024 is komen te vervallen) voorzag ook in de mogelijkheid maatwerkvoorschriften te stellen, zowel in de vorm van een versoepeling als een aanscherping van de algemene regels. Anders dan in het Bal werd die mogelijkheid niet breed opengesteld (maatwerk mogelijk, tenzij), maar werd per voorschrift aangegeven of de bevoegdheid voor maatwerk werd geboden en zo ja, in welke vorm (versoepelen en/of aanscherpen) en in een aantal gevallen tot hoe ver (een inhoudelijke begrenzing). Dit betekent dus dat de maatwerkmogelijkheden onder de Omgevingswet ruimer zijn dan onder het Activiteitenbesluit het geval was (zie: S.H. van den Ende, Tekst & Commentaar Omgevingswet, commentaar op artikel 2.13 Bal).

Maatwerkvoorschriften en het werkveld bodem

In de nota van toelichting bij het Aanvullingsbesluit bodem (Staatsblad 2021, nr. 98, p. 135), dat is geïntegreerd in het Bal, is ook het een en ander opgemerkt over de mogelijkheden om maatwerkvoorschriften op te nemen.  De Omgevingswet heeft als uitgangspunt dat het stellen van maatwerkvoorschriften in ruime mate mogelijk wordt gemaakt. Dit biedt flexibiliteit voor de initiatiefnemer en maakt het mogelijk dat de regels over een activiteit kunnen worden toegeschreven op bijzondere lokale situaties. Maatwerk biedt de mogelijkheid om de voordelen van het stellen van algemene regels te combineren met een individuele of gebiedsgerichte benadering waar dat nodig is, door een algemene regel nader in te vullen of daarvan af te wijken. De bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften ligt bij het bevoegd gezag voor de algemene regels (artikel 4.5 Omgevingswet). Uitgangspunt blijft dat maatwerkvoorschriften terughoudend moeten worden toegepast. Maar als het stellen van maatwerkvoorschriften nodig is om de doelen van de wet te bereiken, voorziet het Bal in de mogelijkheid om die in te zetten.

Aan de maatwerkmogelijkheden zijn grenzen. Maatwerk kan niet gesteld worden met een ander oogmerk dan het oogmerk van het voorschrift dat wordt aangevuld of waarvan wordt afgeweken. Hiermee is geborgd dat het bevoegd gezag niet willekeurig mag omspringen met de mogelijkheid van maatwerk. Ook de strekking van de algemene rijksregel moet bij het stellen van maatwerkvoorschriften en maatwerkregels in acht worden genomen. Zo kan maatwerk er bijvoorbeeld nooit toe leiden dat in een specifiek geval toepassing van beste beschikbare technieken niet nodig is of significante verontreiniging wordt veroorzaakt. Ook is het niet mogelijk om maatwerk toe te passen op de erkenningsplicht bij de uitvoering van diverse werkzaamheden. Deze erkenningsplicht volgt uit hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit. De ruimte die de gemeente heeft bij het stellen van maatwerkregels en maatwerkvoorschriften wordt voor de milieubelastende activiteiten graven, opslaan, saneren en toepassen bepaald door het duurzaam bodembeheer: het zoeken naar de balans tussen beschermen en benutten op een specifieke locatie (Staatsblad 2021, nr. 98, p. 135 + 136). Maatwerkvoorschriften kunnen niet worden gesteld over bepalingen waarin milieubelastende activiteiten zijn aangewezen. Door maatwerk is het dus niet mogelijk het toepassingsbereik van de algemene rijksregels te veranderen. Ook kunnen geen maatwerkvoorschriften worden gesteld over de bepalingen met meldingsplichten en over de erkenningsplichten uit het Besluit bodemkwaliteit. Als de mogelijkheden voor maatwerk beperkt zijn als gevolg van Europese en internationale verplichtingen, dan is dit vermeld bij de inhoudelijke bepalingen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de algemene rijksregels voor de milieubelastende activiteit toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie, welke zijn gesteld ter implementatie van de vereisten van onder andere de kaderrichtlijn afvalstoffen, gericht op het doelmatig beheren van afvalstoffen en het voorkomen van schade aan het milieu door het gebruik van afvalstoffen. Eveneens is bepaald dat met een maatwerkvoorschrift niet kan worden afgeweken van de specifieke zorgplichten.

Maatwerkvoorschriften en het Bbl

Ook in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), de ‘opvolger’ van het Bouwbesluit 2012, is in verschillende artikelen de mogelijkheid geboden om van de algemene regels af te wijken middels maatwerkvoorschriften (zie bijvoorbeeld de artikelen 3.7, 3.86, 3.130, 4.5, 4.6, 4.103a, 4.149a, 4.227, 4.230, 5.3a, 5.23a, 6.5, 7.5, 7.14, 7.23, 7.32 en 7.37 Bbl). Maatwerk op de algemene rijksregels moet op besluitniveau expliciet opengesteld worden. Als maatwerk nodig is om de algemene regels beter te laten aansluiten op een specifiek geval bestaat daarvoor in beginsel vaak ruimte. Dat betekent niet dat het stellen van maatwerkvoorschriften onbeperkt mogelijk is. Ten eerste bepaalt de Omgevingswet dat het oogmerk en de strekking van de algemene rijksregels, zoals in de wet vastgelegd, ook van toepassing zijn op de bevoegdheid tot het stellen van voor maatwerkvoorschriften. Ten tweede is er in algemene zin sprake van een aantal beperkingen aan de mogelijkheid van maatwerk. Het is niet mogelijk het toepassingsbereik van de rijksregels via maatwerk anders te regelen. Dat ligt buiten de bevoegdheid zoals deze uit de wet volgt en behoeft dus geen regeling in dit besluit. Als maatwerk mogelijk is op regels die, zoals de meeste regels in dit besluit over het verrichten van activiteiten gaan, kan geen maatwerk worden gegeven wanneer er geen sprake is van het verrichten van een bepaalde activiteit, maar juist van nalaten. Het toepassingsbereik van de regels strekt zich niet uit tot nalaten. In een voorkomend geval kan het nalaten van een activiteit of handeling wel tot een overtreding van de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de Omgevingswet leiden, waartegen het bevoegd gezag dan handhavend kan optreden. Ook wordt in het besluit geregeld dat geen maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over meldingsplichten (vanwege het daaraan gekoppelde verbod om met een activiteit te starten), meet- en rekenmethoden (omdat daarbij uniformiteit verzekerd moet zijn en wat flexibiliteit betreft met regeling van gelijkwaardigheid kan worden volstaan) en bij dwingende internationaalrechtelijke verplichtingen. Zo is in de artikelen 3.7, lid 1, 4.5, lid 1, 4.7 en 6.5, lid 1 Bbl geregeld dat géén maatwerkvoorschriften gesteld kunnen worden over meet- of rekenmethoden.

Om willekeur bij het toepassen van maatwerk te voorkomen, is bij de artikelen over maatwerk telkens expliciet aangegeven welke belangen daarmee gediend moeten worden (Staatsblad 2018, nr. 291, p. 179 en 180). Er wordt op gewezen dat de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften in het Bbl zo specifiek mogelijk opengezet is. De landelijke uniformiteit van de bouwregelgeving sinds 1992 wordt als een groot goed beschouwd, vanwege de zekerheid die dit aan partijen geeft. Dit betekent niet dat maatwerk niet mogelijk is bij de regels in het Bbl, maar wel dat de mogelijkheden daarvoor grotendeels in het verlengde liggen van wat eerder op grond van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 mogelijk was (Staatsblad 2018, nr. 291, p. 180). Vergeleken met het Bouwbesluit 2012 zijn enkele nieuwe maatwerkmogelijkheden opgenomen. Het gaat hier bijvoorbeeld op de maatwerkmogelijkheden rondom het onderwerp mobiel breken, een onderwerp afkomstig uit het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval. Daarnaast is in bepaalde gevallen ook maatwerk mogelijk op de specifieke zorgplicht. Dit stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid desgewenst nadere invulling te geven aan de zorgplicht zodat het voor de normadressaat duidelijk is waar hij aan moet voldoen. Waar maatwerkmogelijkheden openstaan is dit expliciet aangegeven in de openingsafdeling van elk hoofdstuk van het Bbl. De afbakening van deze mogelijkheid is wanneer mogelijk direct daarbij gegeven, of waar dit gaat om een specifieke afbakening voor een bepaalde regel, zo dicht mogelijk bij deze regel. Een afbakening kan bijvoorbeeld inhouden dat maatwerk alleen afwijking kan inhouden en niet nadere invulling, of dat maatwerk alleen mogelijk is na een melding (Staatsblad 2018, nr. 291, p. 178).  Wanneer in het Bbl is aangegeven dat een maatwerkvoorschrift op aanvraag kan worden gesteld, is deze aanvraag vormvrij. De Awb is hierop van toepassing.

Maatwerkvoorschriften op basis van het omgevingsplan

Het omgevingsplan kan ook een bevoegdheid bevatten tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift over algemene regels uit het omgevingsplan. Artikel 4.5, lid 1 Omgevingswet bepaalt immers dat bij regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 Omgevingswet onderwerpen kunnen worden aangewezen waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen. Artikel 4.1 en 4.2 Omgevingswet (die deel uitmaken van paragraaf 4.1.1 Omgevingswet over algemene regels) handelen onder andere over het omgevingsplan. Het ligt voor de hand dat bijvoorbeeld het welstandsvereiste voor bestaande bouwwerken in het omgevingsplan wordt uitgewerkt in zo’n maatwerkbevoegdheid. Deze bevoegdheid is vergelijkbaar in te zetten als de voorheen in artikel 13a van de Woningwet opgenomen bevoegdheid tot het opleggen van een plicht ter naleving van de voorheen in artikel 12, eerste lid, van de Woningwet opgenomen regel dat het uiterlijk van een bouwwerk niet ernstig in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Dit is mogelijk door in het omgevingsplan te bepalen dat een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het uiterlijk van een bouwwerk, met als doel om maatregelen te treffen aan dat uiterlijk om zo de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand weg te nemen die het uiterlijk van dat bouwwerk oplevert. Met het opleggen van het maatwerkvoorschrift kan worden geconcretiseerd welke specifieke aanpassingen aan het uiterlijk van het bouwwerk moeten plaatsvinden. Het opleggen van een maatwerkvoorschrift vindt plaats bij appellabel besluit (Staatsblad 2018, nr. 290, p. 104).

Maatwerkvoorschriften op grond van de Bruidsschat

In artikel 22.4 van de Bruidsschat (inmiddels sinds 1 januari 2024 deel uitmakend van het tijdelijke deel van de omgevingsplannen van alle gemeenten) wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in afdeling 22.2 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen), met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden. Artikel 22.4, lid 2 van de bruidsschat bepaalt dat met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In afdeling 22.2 wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt (Staatsblad 2020, nr. 400, p. 823 en 824). Ook ten aanzien van de in de bruidsschat/het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3 bruidsschat) is voorzien in een grondslag om maatwerkvoorschriften te stellen. Artikel 22.45 van de bruidsschat voorziet hierin. In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen. De beperkingen die het Activiteitenbesluit stelde aan de mogelijkheden voor maatwerkvoorschriften, zijn daarbij niet overgenomen. Dit sluit aan bij de systematiek van het Bal. Het is niet logisch om beperkingen op te leggen aan het stellen van maatwerkvoorschriften, omdat die beperkingen altijd omzeild kunnen worden via een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (de bruidsschat maakt immers deel uit van het omgevingsplan). Met een maatwerkvoorschrift mag echter niet worden afgeweken van de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in artikel 22.44 van de bruidsschat. Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van deze afdeling worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling gegeven worden aan de specifieke zorgplichten van deze afdeling. Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken uit artikel 22.42 van de bruidsschat en mag daar niet mee in strijd zijn (zie artikel 22.45, lid 3 bruidsschat). Artikel 22.45, lid 1 bruidsschat bepaalt dat een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26 van de bruidsschat. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26 (artikel 22.45, lid 2 bruidsschat).

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift volgt het bevoegd gezag de instructieregels van het Bkl (zie artikel 22.45, lid 4 bruidsschat). Voorbeeld: het tijdelijke deel van het omgevingsplan bepaalt voor verschillende situaties dat onversterkt stemgeluid niet meegenomen wordt in de beoordeling van de toelaatbare geluidwaarde. Een gemeente kan niet zomaar voorschrijven dat onversterkt stemgeluid toch meegenomen wordt bij de beoordeling van de geluidwaarde. Het Bkl stelt namelijk in artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) dat dit in de meeste gevallen niet kan (Staatsblad 2020, nr. 400, p. 857).

Aanvraagvereisten maatwerkvoorschriften

In artikel 7.217 van de Omgevingsregeling zijn de aanvraagvereisten opgenomen voor een aanvraag voor een maatwerkvoorschrift.  In dit artikel is bepaald welke gegevens en bescheiden moeten worden vertrekt bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift. De gegevens en bescheiden die bij een aanvraag moeten worden verstrekt zijn globaal hetzelfde als de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsvergunningen.

Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een beschrijving van de activiteit en het onderwerp waarvoor het maatwerkvoorschrift wordt aangevraagd, het telefoonnummer van de aanvrager, het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde en als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde. De aanvraagvereisten zijn van toepassing op alle soorten maatwerkvoorschriften, dus niet alleen op maatwerkvoorschriften op basis van rijksregels maar ook op regels in omgevingsplannen, waterschapsverordeningen en omgevingsverordeningen. Artikel 7.217, lid 2 Omgevingsregeling bepaalt dat dit artikel niet van toepassing is als het onderwerp waarvoor het maatwerkvoorschrift wordt gevraagd onderdeel is van een aanvraag om een omgevingsvergunning. In artikel 7.217, lid 2 Omgevingsregeling is de afbakening geregeld van de gevallen waarvoor een vergunningplicht geldt voor het verrichten van een activiteit. In het Bal is voor bepaalde vergunningplichtige activiteiten voorgeschreven dat maatwerk wordt geregeld in de omgevingsvergunning met een voorschrift. Op die gevallen ziet artikel 7.3, onder g, van de Omgevingsregeling (Staatscourant 2020 nr. 64380, 3 december 2020, p. 763).

Maatwerkvoorschriften goed onderscheiden van maatwerkregels

Van maatwerkvoorschriften moet goed worden onderscheiden de zogenoemde maatwerkregels. Maatwerkvoorschriften zijn beschikkingen, gericht tot degene die de activiteit verricht, dus een bepaald persoon of bepaald bedrijf. Met maatwerkregels kunnen algemene rijksregels worden ingevuld, aangevuld of kan van algemene regels worden afgeweken. Maatwerkregels zijn algemeen verbindende voorschriften die in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening worden opgenomen. Zij gelden voor een bepaalde locatie of een bepaald gebied en daarmee dus voor een variërende doelgroep (Staatsblad 2018, nr. 291, p. 178). De bevoegdheid om maatwerkregels te stellen is geregeld in artikel 4.6 van de Omgevingswet. In een later blogartikel zal nader worden ingegaan op het instrument van maatwerkregels.

Meer weten?

Heeft u een vraag over omgevingsvergunningverlening,  over handhaving of over de Omgevingswet in het algemeen? Neem dan contact op met Pouderoyen Tonnaer.